Het was 30 April 1970, en een mooie dag. Thérèse Dion had haar zoons Michel, Jacques en Daniel gemobiliseerd om de tuin op te ruimen, de aarde om te spitten, het dode gras op te harken, het onkruid te wieden in de bloemperken en om de heg bij te knippen. Céline die een maand eerder twee was geworden, was met een schepje aan het spelen in haar zandbak. Toen Céline een blonde vrouw met een kinderwagen zag, die richting het huis kwam gelopen, dacht ze dat het haar oudste zus Denise met haar zoontje Christian was.
Céline begon de weg over te steken om naar haar zus te gaan. In de tuin hoorden de jongens de piepende banden en de gil van een vrouw. Ze renden naar voren en zagen hun kleine zusje onder een auto liggen. Michel rende naar Céline toe, terwijl Daniel zijn moeder probeerde weg te houden. Céline huilde. Haar moeder raapte haar op en zover ze kon zien was er niks gebroken maar het kleine meisje had blauwe plekken en een flinke bult op haar hoofd.
" In de tuin hoorden de jongens de piepende banden en de gil van een vrouw."
De chauffeur van de auto bood Thérèse $20 als ze de politie niet zou bellen, maar hij stond erop om Céline naar het 'Le Gardeur' ziekenhuis in Repentigny te brengen. De dokters daar waren bezorgd over Céline's symptomen. Ze had overgegeven, ze leek in de war, wilde slapen en huilde niet. De eerste hulp arts besloot haar over te plaatsen naar het 'Sainte Justine' kinderziekenhuis in Montréal en Michel ging met haar mee. Thérèse ging naar huis om voor de andere kinderen te zorgen en haar man op te wachten om te vertellen wat er gebeurd was.
Thérèse was met het avondeten bezig toen Michel belde met het slechte nieuws dat Céline een schedelbasisfractuur had. Die avond ging Thérèse naar haar dochtertje die voor het eerst van haar leven een nacht weg was van haar liefdevolle familie.